Zonlicht en vitamine D

Zonlicht en vitamine D

Uit: Nr. 220, juli/augustus 2012

Recent kwam in het nieuws dat steeds meer mensen huidkanker krijgen, en dat het ook vaker terugkomt. Als oorzaak wordt de zon aangewezen, en de zonnebank, en het feit dat we steeds ouder worden.

Wat moet een mens met deze informatie? We hebben een aantal jaren gehad waarin we van dermatologen het advies hebben gekregen om alleen te zonnen onder de bescherming van zonnebrandcrèmes met een hoge UV-factor. Het tij begint echter te keren, want ondanks dit advies is het aantal mensen met huidkanker dramatisch aan het stijgen, en zijn de huidige verklaringen niet afdoende. Blijkbaar klopt er dus iets niet in de redenering, en dat lijkt alles te maken te hebben met vitamine D.

Over deze vitamine verschijnen de laatste jaren veel wetenschappelijke artikelen. Het wordt ook wel de sunshine-vitamine genoemd, om aan te geven dat de beste bron van deze vitamine de zon is. Vitamine D bestaat eigenlijk uit een groep chemisch verwante stoffen die vetoplosbaar zijn. De belangrijkste zijn vitamine D2 (ergocalciferol) en vitamine D3 (cholecalciferol), waarvan de laatste biologisch het meest actief is.

De aanmaak van vitamine D vindt plaats in de huid onder invloed van UV-B-zonlicht. Interessant is dat de basisstof hiervoor cholesterol is dat in enkele stappen, en verder in lever en nieren, uiteindelijk wordt omgezet in het actieve vitamine D3.
Deze vitamine blijkt betrokken te zijn bij heel veel processen in ons lichaam: het is bijvoorbeeld nodig voor de opname van calcium uit de darm en in het bot (samen met vitamine K2), voor het normaal functioneren van ons immuunsysteem, voor het regelen van de celgroei en celrijping en voor een normale insuline-huishouding.
Van oudsher kennen we natuurlijk de rachitis-kinderen met hun kromme beentjes, als gevolg van een tekort aan vitamine D.
Een tekort aan vitamine D3 wordt in verband gebracht met een groot aantal ziekten die we kunnen afleiden uit bovenstaande betrokkenheid: zo is er, naast osteoporose, een relatie tussen tekort aan vitamine D3 en enkele vormen van kanker (dikke darm, borst, prostaat, maar mogelijk ook andere vormen van kanker), met auto‐immuunziekten zoals de ziekte van Sjögren, SLE, MS, reumatoïde artritis en diabetes mellitus type 1. Maar er is ook een relatie met diabetes mellitus type 2, hoge bloeddruk, hart‐ en vaatziekten en onze stemming.
En, last but not least, beschermt voldoende vitamine D3 ons tegen de griep. Dat is nogal wat!

Het is dus van groot belang om voldoende van deze sunshine-vitamine binnen te krijgen. Op de zon komen we later terug. Je zou als bron voor vitamine D ook naar voedsel kunnen kijken, en dan komt eigenlijk alleen vette vis in aanmerking. Haring levert per 100 gram ongeveer 800 IE vitamine D3 op, en zalm per 100 gram 450 IE. De margarine die verrijkt is met vitamine D levert slechts 25 IE per snee brood op. In sinaasappel en melk zit ook vitamine D, maar in veel te geringe hoeveelheid om dekkend te zijn.

Hoeveel we nu precies nodig hebben van vitamine D is een punt van discussie. Feit is dat wij in Nederland op het noordelijk halfrond wonen en dat dientengevolge de blootstelling aan effectief zonlicht voor onze vitamine D-aanmaak onvoldoende is. We zullen dus extra vitamine D moeten nemen in de vorm van een supplement.
Omdat vitamine D behoort tot de vetoplosbare vitaminen en theoretisch dus zou kunnen stapelen in ons lichaam en zo tot vergiftigingsverschijnselen zou kunnen leiden, is de Gezondheidsraad van mening dat we er vooral niet teveel van moeten innemen. Het advies voor onze bevolking is naar aanleiding van alle publicaties weliswaar iets verhoogd, maar de hoeveelheid is volgens de huidige wetenschappelijke inzichten volstrekt onvoldoende.
Het contrast tussen een aanbevolen dagelijkse hoeveelheid van 200 IE voor volwassen en een mogelijke dagelijkse ‘intake’ via zonlicht op onze huid van 20.000 IE is nogal extreem. De vitamine D-experts vinden dan ook dat onderdosering een veel groter gevaar is dan overdosering.
In Duitsland is berekend dat er jaarlijks 37,5 miljard euro kan worden bespaard op de gezondheidszorg, als mensen voldoende vitamine D-suppletie zouden krijgen. In Nederland zou de sterfte per jaar met 18% verminderen als men voldoende vitamine D zou innemen.
Een veilige hoeveelheid die door de topwetenschappers wordt aanbevolen ligt tussen de 2500 en 4000 IE per dag. Sommigen adviseren nog veel hoger. Dit heeft dan te maken met de metingen die gedaan zijn in het bloed.
Het is vrij eenvoudig om via de huisarts een vitamine D-spiegel – in de vorm van 25(OH)D (calcidol) – te laten meten. De normaalwaarden behoren dan tussen 50 en 185 nmol/L te liggen, met een gewenste waarde boven 75 nmol/L. Metingen laten zien dat zeer veel mensen wereldwijd een tekort hebben aan vitamine D3. Vaak is er al tijdens de zwangerschap sprake van een vitamine D-tekort.

Ten tijde van de Mexicaanse griep werd in een Amerikaanse duo‐artsenpraktijk een aardig experiment gedaan: de ene arts gaf geen enkele patiënt vitamine D3, en de andere arts gaf al zijn patiënten vitamine D3-suppletie van 2000 IE. In de eerste groep kregen een aantal mensen de Mexicaanse griep en ook de gewone griep, maar in de tweede groep niemand.
Ervaringen in ons land laten zien dat mensen die voldoende (± 2000 IE) vitamine D3 innemen, vrijwel geen gewone griep krijgen. Een goed, veilig en goedkoop alternatief dus voor de griepvaccinatie.

Nu even terug naar de zon. We zijn voor ons leven en voedsel afhankelijk van de zon, maar blijkbaar leven we toch op gespannen voet met diezelfde zon.
De zon geeft een volledig spectrum aan licht af, waarvan UV een gedeelte is. We kennen UV-A, UV-B en UV-C straling. Met de eerste twee hebben we vooral te maken. In zonlicht zit veel meer UV-A dan UV-B.
Als we kijken naar de relatie tussen huidkanker en UV-licht, moeten we onderscheid maken tussen kwaadaardige (maligne melanoom) en goedaardige (basalioom) huidkanker. De laatste soort – die kan ontstaan door excessieve blootstelling aan UV-B waarbij de huid verbrandt – kan prima behandeld worden en leidt zelden tot een agressieve vorm.
Wetenschappers gingen er tot voor kort van uit dat UV-B-zonlicht verantwoordelijk is voor het maligne melanoom, en dus werden de zonnebrandcrèmes vooral voorzien van UV-B filters. Nieuw inzicht toont echter dat vooral UV-A verantwoordelijk is voor het maligne melanoom.
De bescherming tegen vooral UV-B lijkt dus niet zo terecht. Daarnaast is een groot nadeel van UV-B filters dat de aanmaak van vitamine D3 dus ook geremd wordt. Als we ons realiseren dat juist vitamine D3 beschermt tegen een groot aantal kankersoorten, dan zouden we met een sterke UV-B-filter juist mogelijk (huid)kanker kunnen bevorderen. De nieuwste zonnebrandcrèmes moeten een sterkere UV-A-filter bevatten.
Een ander probleem van zonnebrandcrèmes, en overigens ook van gewone cosmetica, is de enorme hoeveelheid chemicaliën die erin verwerkt worden. Onze huid is een opname-orgaan; met andere woorden: alles wat wij erop smeren wordt opgenomen in de bloedbaan. Wanneer wij de hele dag door zonnebrandcrèmes smeren, volgens het advies, komt er nogal wat ‘rommel’ binnen.

De vraag is nu wat wijsheid is in het dilemma voor en tegen zonnen. Zoals met alles is het zaak evenwicht te zoeken en dat betekent het extreme vermijden. Graag in de zon, maar op een verstandige manier: in het voorjaar eerst ‘wennen’ aan de UV-straling, en in de zomer niet de hele dag bakken. Buiten de heetste uren een half uurtje zonder UV-filters zonnebaden en verder met luchtige kleding en een zonnehoed heerlijk buiten zijn. Onder een boom of parasol zitten geeft strooilicht en dat is prima.
Jezelf in geen geval laten verbranden, want dat beschadigt de huid en verhoogt het risico op huidkanker. Zo nodig, bijvoorbeeld bij een lange wandeling, een natuurlijke zonnebrandcrème met zo min mogelijk schadelijke chemicaliën gebruiken.
Vooral kinderen moeten beschermd worden, dus bijvoorbeeld zwemmen met een shirtje of blouse aan, en tijdig katoenen kleding aandoen als ze te lang aan de zon worden blootgesteld.

Wat betreft de zonnebank: dermatologen raden dit inmiddels niet meer aan. Het maakt veel uit of deze UV-A straalt of een combinatie van UV-A en UV-B. Het laatste is te verkiezen boven het eerste.

Sommige onderzoekers hebben geopperd om zonnebaden dan maar te vervangen door alleen supplementen met vitamine D3, en wat blijkt: zonlicht heeft een groter effect dan alleen vitamine D3-suppletie.
Kunnen we natuurlijk zelf ook bedenken !

Anna Kruyswijk‐ van der Heijden, arts
Jouw Voeding
www.jouwvoeding.com

Reader Interactions